Hoeveel is genoeg?

Ons brein is erg goed in het herkennen van patronen. Een patroon zou je kunnen zien als een verzameling van gegevens die vaak in dezelfde combinatie voorkomen. Zo vaak dat je brein ze ziet als één geheel. Twee wielen, een frame, een stuur, trappers en een ketting zie je daarom niet als twee wielen, een frame, een stuur, trappers en een ketting, maar als een fiets. Dat is handig, want daardoor kan je brein snel werken en blijft er breinkracht over voor het zien van andere dingen.

Ons brein is zo goed in het herkennen van patronen dat het maar een deel van de gegevens nodig heeft om te weten om welk geheel het gaat. En dus weet je wat je ziet op onderstaande afbeelding.








Een grappig experiment is het volgende. Probeer onderstaande tekst eens zo snel mogelijk te lezen:
Vlgones een oznrdeeok op een Eglnese uvinrietsiet mkaat het neit uit in wlkee vloogdre de ltteers in een wrood saatn, het einge wat blegnaijrk is is dat de eretse en de ltaatse ltteer op de jiutse patals saatn. De rset van de ltteers mgoen wllikueirg gpletaast wdoren en je knut vrelvogens gwoeon lzeen wat er saatt. Dit kmot odmat we neit ekle ltteer op zcih lzeen maar het wrood als gheeel.
Kennelijk mag de verzameling gegevens ook door elkaar gehusseld worden en kan ons brein nog steeds het patroon herkennen. Het kost misschien wat meer tiijd, maar toch...

Een boeiende vraag is: als je je brein een patroon wilt laten herkennen, hoeveel gegevens mag je dan maximaal weglaten?

Opdracht
Maak een test voor je klasgenoten met tien opdrachten. In elke opdracht gaat het erom het patroon te herkennen. Probeer zoveel mogelijk verschillende typen opdrachten te maken. Denk aan het laten zien van een deel van een logo, van een woord, door elkaar gehusselde onderdelen, een gezicht waarbij je elementen weg-fotoshopt...

Voorbeelden

















Als je de test hebt laten doen, bespreek dan samen wat de resultaten je vertellen aan de hand van de volgende vragen:

  1. Is ons brein extra goed in patroonherkenning als het gaat om gezichten, logo's of voorwerpen?
  2. Zijn er onderdelen of gegevens die je niet weg mág laten, omdat het anders niet meer te raden is?
  3. Wat zeggen de resultaten over degene die de test doet?
Mail me je tests, de leukste en meest interessante zal ik hier publiceren. Adres: erno@innodoks.nl.

Maak het je brein moeilijk!

Als je besluit je hand op te tillen, is dat geen moeilijke opdracht voor je brein. Ook het schrijven van een woord is waarschijnlijk niet moeilijk, ook al zijn de bewegingen heel precies. Toch kun je opdrachten bedenken voor bewegingen die erg moeilijk zijn voor je brein.

In onderstaand filmpje speelt Stan Laurel een spelletje Kneesy, Earsy, Nosey. Hij kan het erg goed, maar zijn vriend Oliver Hardy bakt er niets van.



Probeer het zelf maar eens.

Nog een spel: leg beide handen op je borst. Met de ene hand begin je te kloppen op je borst, met de andere veeg je van boven naar beneden. Gaat het goed, doe het dan eens andersom. En?

Opdracht
Zoek of bedenk een moeilijke opdracht voor je brein waarbij het gaat om een bepaalde beweging.

Soorten denken

Er zijn heel veel soorten denken. Ik noem er een paar...

piekeren
onthouden
fantaseren

Maak een woordspin met alle soorten denken die je kunt bedenken. Dat doe je door het woord denken in het midden van een groot vel papier te schrijven. Schrijf alle soorten denken die je kunt bedenken eromheen.

Als je klaar bent, zet je een plusje bij alle soorten denken waar je beter in kunt worden door te oefenen.

Vrolijk je woordspin op met kleuren en tekeningen!

Het experiment met de marshmallow

Een paar situaties...
  • Het is Sinterklaas-avond. Je kunt alle pakjes in een keer uitpakken. Maar dat doe je niet. Telkens wacht je een tijdje voordat je het volgende pakje uitpakt. Zo heb je de hele avond plezier.
  • Je baalt van die lange, saaie autorit. Maar je denkt: ach, straks ben ik in het mooie, warme Zuid-Frankrijk. Dus ik houd het wel vol.
  • Je gaat toch maar even door de regen naar je vriend(in). Dan kun je straks lekker samen gamen.
Het zijn drie voorbeelden van iets wat alleen mensen kunnen:
  1. ze denken aan iets leuks of goeds in de toekomst,
  2. en daardoor kunnen ze in het heden iets doen of laten wat niet gemakkelijk of fijn is.
Laten we dat even noemen: je zin uit kunnen stellen.

Kleine kinderen vinden dit nog erg moeilijk. In een bekend wetenschappelijk experiment gaven onderzoekers kinderen een marshmallow. Ze vertelden erbij:

  • Je mag de marshmallow opeten.
  • Ik moet nu even weg.
  • Als het je lukt de marshmallow niet op te eten, krijg je een extra marshmallow als ik terugkom.

In onderstaand filmpje (Engels gesproken) zie je hoe dit experiment werkt:

Opdrachten en vragen

  1. Je hebt zelf vast ook wel eens meegemaakt dat je iets heel graag wilde, maar dat dat niet meteen kon. En dat je misschien eerst wel iets vervelends moest doen. Vertel!
  2. Hoe kun je beter worden in uitstellen van je zin krijgen? Wat helpt daarbij?
  3. Bedenk een voorbeeld waarbij het voor jouw heel moeilijk zou zijn om je zin uit te stellen. (Maak er een tekening van.)

Tip: doe het marshmallow experiment eens met je kleine broertje, zusje, neefje of nichtje... Kan natuurlijk ook met drop, schuimpjes, zuurtjes enzovoort. Wel eerst even met je ouders overleggen!

Filosoferen... waarom zou je?

Filosoferen is praten over vragen waar niet één antwoord op bestaat.
Filosoferen is ook vragen stellen bij dingen, waar je normaal niet zo snel vragen over stelt.

Er zijn mensen die van filosoferen hun werk maken. Ze denken lang en diep na, praten over die gedachten en schrijven er dikke boeken over.

Ook als je er niet voor hebt geleerd, kun je filosoferen. En dat is nog erg nuttig ook. Van filosoferen leer je:
  • je gedachten onder woorden brengen
  • luisteren naar elkaar
  • praten met elkaar, zonder de ander per se te willen overtuigen van jouw gelijk
  • rekening houden met elkaar
  • respect hebben voor hoe de ander ergens over denkt
  • nadenken over de waarheid
  • goede vragen stellen
  • logisch redeneren en onderzoeken
  • trots zijn op wat je brein allemaal kan
  • vertrouwen op je eigen brein
  • nadenken over hoe je brein werkt
  • al denkend tot nieuwe ideeën en oplossingen komen
  • 'out of the box' denken
  • vanuit verschillende perspectieven kunnen denken
  • creatief denken
  • kritisch denken
  • woordenschat uitbreiden
  • een eigen afwijkende gedachte of mening durven uiten
Ben ik nog wat vergeten? Laat het me gerust weten!

Wie ben jij eigenlijk?

Je kunt bakker worden, een superster, vader of moeder of uitvinder. Maar het belangrijkste is dat je jezelf wordt. Tenminste, dat wordt vaak gezegd. Maar...

Wat is dat eigenlijk: jezelf zijn?

Wie je op dit moment bent en hoe je later in het leven zult staan bepaal je niet helemaal zelf. Het begint er al mee dat je via je genen eigenschappen en uiterlijkheden meekrijgt van je ouders. Je bent dus voor een stukje je vader en voor een stukje je moeder. Vervolgens groei je op in een bepaalde omgeving. Die heeft veel invloed op je. Je spreekt bijvoorbeeld Nederlands omdat iedereen om je heen Nederlands spreekt. En je vindt roken een slechte eigenschap omdat veel mensen om je heen je zullen vertellen dat roken ongezond is.

Wat is echt alleen van jou? Schrijf eens tien eigenschappen (karakter, uiterlijk... alles mag!) op een vel papier. Bespreek daarna de volgende vragen met leeftijdsgenoten.

  1. Wat het betekent om jezelf te zijn.
  2. Kun je meer jezelf worden? Hoe doet je dat?
  3. Wat merken anderen ervan als je je best doet om meer jezelf te zijn? Zullen ze je aardiger en leuker vinden of juist niet?
  4. Wat merk je er zelf van als je je best doet om meer jezelf te zijn? Zou je jezelf beter voelen of juist niet?
Kijk nu nog eens naar de tien dingen die je hebt opgeschreven:
  1. Zet een + achter de eigenschap waar je het meest trots op bent.
  2. Zet een ! achter de eigenschap waarvoor je meer je best wilt gaan doen om die te laten zien aan anderen.

Aandacht

Stop even met denken waar je aan denkt.

Luister heel goed. Wat hoor je allemaal op de achtergrond? Geluiden op straat, het suizen van de verwarming? Probeer zoveel mogelijk te horen.

Kijk nu heel goed. Wat zie je allemaal? Welke kleuren, welke vormen?

Voel nu heel goed. Wat voel je allemaal? De stof van de kleren op je huid? Je billen op de stoel?

Nog iets moeilijker... ruik nu heel goed. Wat ruik je? De deodorant van degene naast je? Koffie?

Terwijl je bovenstaande opdrachtjes uitvoerde, dacht je waarschijnlijk aan niets anders. Dat heeft te maken met aandacht. Je brein is daar heel goed in. Overal om je heen is informatie: geluiden en beelden. Je brein kan de aandacht richten op het belangrijkste en de rest wegfilteren. Zo kun je op een druk feestje toch degene verstaan met wie je staat te praten.

Beschrijf twee situaties uit je eigen leven:
  1. Een waarin aandacht voor een bezigheid je hielp.
  2. Een waarin aandacht voor een bezigheid je in de problemen bracht.